Overlast van veehandel?

Verzoeker klaagt er over dat de gemeente niet voortvarend optreedt tegen overtredingen die zijn buurman, de heer J, in het kader van zijn veehandel zou begaan. Zo zou de gemeente niet of niet adequaat reageren op zijn brieven en verzoeken tot handhaving, zou de gemeente bepalingen in onder meer de APV niet handhaven en is het verzoeker niet duidelijk wanneer hij bij de gemeente moet zijn en wanneer bij de politie. De belangrijkste gedragingen van de buurman waar verzoeker over klaagt zijn: ? het parkeren van een vrachtauto met levend vee, langs de openbare weg, voor de woning van verzoeker en daarbij het regelmatig in en uitladen van het levend vee; ? het gebruik van de stallen ten dienste van de varkens- en veehandel; ? het illegaal opslaan van mest in de schuur en het lozen van mest in de sloot; ? het stallen van bedrijfsauto?s in de schuur; ? het vroeg in de ochtend starten en laten warm lopen van de dieselvrachtwagen; ? het structurele gebruik van perceel x door de buurman van nummer 122/124. De gemeente geeft aan deze gedragingen, voor zover het in haar macht ligt wel degelijk te hebben beoordeeld. Op 14 mei 2012 heeft de gemeente een vooraankondiging last onder dwangsom afgegeven. In deze vooraankondiging wordt duidelijk uiteen gezet waar de buurman zich aan dient te houden. Tijdens de hoorzitting merkt verzoeker ook nog op dat de burgemeester naar hem toe heeft aangegeven dat er verbaliserend zal worden opgetreden. Dit is echter niet gebeurd. De Ombudscommissie merkt hierbij op dat niet na te gaan is of dit zo is gezegd en om die reden kan de Ombudscommissie zich hier geen oordeel over vormen Met betrekking tot de norm betrouwbaarheid concludeert de Ombudscommissie dan ook, dat de gemeente niet onbehoorlijk heeft gehandeld. Voor wat betreft de norm de-escalatie, acht de Ombudscommissie het van belang op te merken dat ook verzoeker een rol heeft in het de-escaleren. Het afgelopen jaar heeft verzoeker zeer veel brieven en e-mails naar de gemeente gestuurd, waaronder vele verzoeken tot handhaving. Ook dient verzoeker met regelmaat een klacht in (onder meer op 18/4/2012, 4/7/2012, 5/7/2012, 8/11/2012, 13/2/2012). Hiermee heeft verzoeker de gemeente enigszins overspoeld. De Ombudscommissie raadt verzoeker aan om de klachten en verzoeken te beperken tot de hoofdzaken en deze te bundelen zodat de gemeente ook de mogelijkheid en de ruimte krijgt om adequaat te kunnen reageren. Tot slot concludeert de Ombudscommissie met betrekking tot de norm samenwerking dat er sprake is van veel verschillende gedragingen waar verzoeker over klaagt, die vallen onder verschillende wetgeving. De Ombudscommissie is van oordeel dat het goed zou zijn als verzoeker en de gemeente om de tafel zouden gaan zitten om door te spreken en wellicht ook vast te leggen welke gedragingen waar onder vallen en wat daarbij de mogelijkheden zijn en onder wiens bevoegdheid eventueel optreden valt. Als de gemeente op een eerder moment met verzoeker een inventarisatie was gaan maken van alles wat er speelt en welke gedraging waaronder valt en wie er verantwoordelijk is, was het wellicht minder ver opgelopen. Maar dat neemt niet weg dat de Ombudscommissie van mening is dat de gemeente met betrekking tot de vele klachten en bezwaarschriften verzoeker ? ook rekening houdend met het feit dat zij ook de belangen van de anderen burgers van de gemeente dient te behartigen ? zich voldoende heeft ingespannen bij de afhandeling van de klachten en bezwaren van verzoeker. De Ombudscommissie komt dan ook tot het volgende oordeel: De gedragingen van de gemeente zijn ten aanzien van de kernwaarden: I. Eerlijk en betrouwbaar - Betrouwbaarheid: niet onbehoorlijk. II. Betrokken en oplossingsgericht - De-escalatie: niet onbehoorlijk. III. Betrokken en oplossingsgericht - Samenwerking: niet onbehoorlijk. IV. Klachtafhandeling: behoorlijk. Daarmee is de klacht van verzoeker ongegrond.
Lees hier het rapport