Het duurt allemaal zo lang bij de gemeente

Het bedrijf van verzoekers komt in de problemen; zij wenden zich tot de gemeente. Kort gezegd komt het er op neer dat het verzoekers allemaal veel te lang duurt. Uiteindelijk blijkt dat men is aangewezen op de bijstand. Ook dat duurt dan weer lang, terwijl duidelijk was aangegeven dat men er direct mee aan de slag zou en het in acht dagen zou regelen. Men voelt zich niet serieus genomen en klagen erover leidt er alleen maar toe dat het nog langer duurt. Dit is volgens verzoekers letterlijk gezegd door de consulent. Er wordt gedreigd dat de aanvraag onder op de stapel komt. Ook de klachtbehandeling gaat niet voortvarend. Er is een gesprek over de klachten, maar het rapport daarvan blijft uit. In een telefoongesprek wordt aangegeven dat het bij het ROZ inderdaad te lang duurde en verzoekers nemen dan aan dat hun klachten gegrond verklaard gaan worden. Maar dat blijkt dan niet uit de klachtafhandelingsbrief. Voortvarendheid: Verzoeker doet in januari 2013 een beroep op de BBZ-regeling en verwacht dan op korte termijn (?uiterlijk eind februari 2013 moest er namelijk een blad uitgegeven worden-) een bedrag van ? 40.000, -. Als dat uitblijft is er eigenlijk begin maart een situatie van: einde bedrijf. De Oo stelt vast dat bij inzet van publieke financi?le middelen voor ondersteuning van ondernemers een onderzoek naar nut en noodzaak daarvan verplicht is. Daarbij dient de onderzoekende instantie te beschikken over correcte financi?le gegevens van het bedrijf. Dit is weliswaar niet het enige dat nodig is, maar naar de mening van de Oo wel een noodzakelijke voorwaarde om een besluit te kunnen nemen over nut en noodzaak van de inzet van BBZ-gelden. Het blijkt dat verzoeker niet in staat is geweest de gevraagde gegevens op korte termijn aan te leveren. Dat is wellicht niet verwijtbaar nu zijn vroegere boekhouder er volgens verzoeker een rommeltje van maakte, maar het is wel zijn risico dat een en ander pas eind maart beschikbaar is. Vervolgens is er voor eind april een besluit over een uitkering levensonderhoud in het kader van de BBZ. Als verzoeker het hier niet mee eens was ? en vond dat er wat anders uit had moeten komen- had hij op dat moment bezwaar kunnen indienen en had hij zich vervolgens tot de rechter kunnen wenden. Het geheel overziend komt de Oo tot de conclusie dat hier het ROZ geen verwijt treft wat betreft voortvarendheid tot het besluit van eind april 2013. Wel is er bij verzoekers een heel ander beeld over wat er kan binnen de BBZ dan wat de realiteit is van het ROZ. De Oo vraagt aandacht voor een duidelijke communicatie over wat wel en niet tot de mogelijkheden behoort. Het is de Oo niet gebleken dat er sprake was van een toezegging voor een doorlopende BBZ-uitkering. Een dergelijke uitkering is gekoppeld aan het voortbestaan van het bedrijf en als dat niet realistisch meer is, komt er een einde aan de uitkering en moet er bij gebrek aan middelen voor levensonderhoud een bijstandsuitkering worden aangevraagd. Het is volgens de Oo niet aannemelijk dat het feit dat er klachten zijn ingediend over het ROZ een rol speelde bij het eindigen van de BBZ-uitkering levensonderhoud. Het valt te betreuren dat verzoekers pas in een laat stadium duidelijk krijgen dat zij een bijstandsaanvraag moeten indienen. Omdat zij geen enkel inkomen meer hebben wenden zij zich tot de Oo als er ook geen voorschot wordt verleend. Na interventie door de Oo volgt dat alsnog. De Oo volgt de redenering van de gemeente dat onderzoek nodig is nadat een bijstandsaanvraag is ingediend, maar het kan niet zo zijn dat een voorschot pas wordt verleend als volkomen vast staat dat er recht is op een uitkering. Hier is naar de mening van de Oo niet voortvarend genoeg gehandeld door de gemeente. Wat betreft de klachtafhandeling heeft de gemeente erkend dat deze te lang heeft geduurd. Verder is naar de mening van de Oo de klachtafhandeling voldoende geweest. Bejegening: Verzoeker is van mening dat hij niet correct is bejegend door zijn bijstandsconsulent. Hij heeft bij de informatiebalie begrepen dat er binnen acht dagen een besluit over een bijstandsuitkering kon zijn. De gemeente geeft hiervan aan dat hooguit gezegd kan zijn dat een aanvraag binnen acht dagen in behandeling wordt genomen. De Oo gaat er van uit dat dit laatste het geval moet zijn nu in zijn algemeenheid geldt dat zelfs bij heel eenvoudige dossiers er toch zeker enige weken over heen gaan voordat er een besluit is. Dat verzoekers het anders hebben begrepen valt te betreuren. Het is voor de Oo voorstelbaar dat er dan irritaties ontstaan als het allemaal langer duurt en dat ?als daar uiting aan wordt gegeven- er misschien ook ge?rriteerd wordt gereageerd. In ieder geval is bij verzoekers de indruk ontstaan dat zij zich kalm moesten houden omdat ze anders onder op de stapel zouden komen. Het lijkt er op dat hier een en ander niet soepel is verlopen, iets waar naar de mening van de Oo de gemeente als organisatie van professionals aandacht voor zou moeten hebben. De eindconstatering kan echter niet anders zijn dan dat er geen oordeel mogelijk is op het punt van al dan niet correcte bejegening nu de versies over wat er gebeurde tussen medewerkers van de gemeente en verzoekers zo uiteen lopen. Oordeel: Voortvarendheid: niet zorgvuldig als het gaat om het beschikbaar stellen van een voorschot bij de bijstandsaanvraag. Verder heeft de afhandeling van de klachten van verzoekers te lang geduurd, maar dit laatste is al erkend door de gemeente. Voor het overige zorgvuldig. Bejegening: geen oordeel mogelijk.
Lees hier het rapport