Verstrekking van vergunningen onder de Leegstandwet

Betrokken wijkbewoners hebben bezwaren tegen het verhuren van woningen onder de Leegstandwet in hun wijk. Een vergunning zou pas door de gemeente afgegeven mogen worden als herstructurering vrijwel zeker is en er voldoende draagvlak is onder de bewoners, waarbij er door de woningcorporatie een sociaal plan is opgesteld. Ook wijzen de bewoners erop dat de gemeente de huren hoort vast te stellen. De gemeente heeft als standpunt dat de zij gehouden is een vergunning te verstrekken als er aan de bij wet gestelde criteria is voldaan. De mogelijke gevolgen van de verstrekking, bijvoorbeeld voor omwonenden, is de verantwoordelijkheid van de verhuurder (de woningcorporatie). Het is, volgens de gemeente, een zaak van verhuurder en huurder om een reglement (sociaal statuut) op te stellen bij sloop en/of renovatie. De gemeente geeft aan dat zij bij het verlenen van de vergunningen geen maximumhuurprijs heeft aangegeven en dat de woningcorporatie de gemeente op de hoogte stelde van de overeengekomen huurprijzen. De Ombudscommissie benoemt haar indruk dat de gemeente vrij gemakkelijk over is gegaan tot het verstrekken van vergunningen onder de Leegstandwet, zonder de maatschappelijke consequenties daarvan te overzien, terwijl dat laatste (het moeten kunnen overzien van maatschappelijke conseqenties en aan de hand daarvan de eigen taken benoemen en andere instanties op de eigen verantwoordelijkheden wijzen) wel tot haar maatschappelijke taak gerekend kan en moet worden. Zo was het aan de gemeente om de woningcorporatie te wijzen op de eigen verplichtingen in het kader van informatieverstrekking (de wijkbewoners hadden gesteld dat zij veel eerder door de gemeente geinformeerd hadden moeten worden over de afgifte van vergunningen). De Ombudscommissie concludeert dat de stelling van de bewoners dat de gemeente leegstandbeleid had moeten ontwikkelen niet gegrond is. Zij heeft grote beleidsvrijheid (zij hoeft geen leegstandbeleid te hebben) en hoeft er alleen voor te zorgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de wettelijke voorwaarden voor vergunningverlening. De Ombudscommissie stelt vast dat de gemeente in strijd met de wet heeft gehandeld door na te laten om de maximale huurprijs vast te stellen. Zij heeft zichzelf daarbij bovendien de mogelijkheid ontnomen om enige grip uit te oefenen op het handelen van de woningcorporatie. De Ombudscommissie spreekt als haar oordeel uit dat de gemeente geen verwijt kan worden gemaakt voor wat betreft het niet zelf informeren van de betrokken bewoners over het voornemen van vergunningverlening en het niet ontwikkelen van leegstandbeleid. De klacht is op deze punten dan ook ongegrond. De gemeente heeft niet zorgvuldig genoeg gehandeld waar het betreft het nalaten om bij de vergunningverlening in het kader van de Leegstandswet de maximale huurprijzen vast te stellen. De klacht is op dit punt gegrond. De gemeente heeft behoorlijk gehandeld waar het betreft de interne klachtbehandeling.
Lees hier het rapport