Discriminatie?

Verzoeker klaagt er over dat bij de aanvraag om een uitkering, door medewerkers van de gemeente opmerkingen zijn gemaakt en vragen zijn gesteld die op hem discriminerend en grievend zijn overgekomen.Verzoeker geeft aan dat tijdens gesprekken in het kader van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering door een aantal mensen zou zijn gezegd dat hij terug moest gaan naar Turkije om daar te gaan werken. Ook zouden er vragen zijn gesteld waarvan hij vindt dat het de gemeente niets aangaat. Het gaat hierbij onder andere over vragen over zijn mogelijke relatie in Turkije. De gemeente geeft aan dat in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand bepaalde vragen gesteld mogen en moeten worden. Deze zijn nodig om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor een uitkering. De regelgeving voor de beoordeling van recht op een bijstandsuitkering brengt met zich dat bepaalde vragen over de priv? situatie gesteld moeten worden. Voorstelbaar is dat sommige vragen, hoe terecht ook, voor een betrokkene vervelend kunnen zijn omdat het persoonlijke vragen zijn. Grievende, c.q. discriminerende opmerkingen en vragen zijn echter niet toegestaan. Nu er sprake is van verschillende verklaringen van verzoeker en de gemeente, is het voor de Ombudscommissie, mede gelet op het tijdsverloop, niet meer mogelijk na te gaan of de opmerkingen, zoals door verzoeker zijn aangegeven, zijn gemaakt. . Met betrekking tot de klachtafhandeling merkt de Ombudscommissie op dat van het horen van verzoeker een verslag is gemaakt, maar niet van het horen van de gemeente.Volgens artikel 9:10, lid 1 en lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht worden klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en wordt van het horen een verslag gemaakt. De wenselijkheid van zo?n verslag, waarin de bevindingen zijn neergelegd, is ook belangrijk voor mogelijke vervolgprocedures, zoals in dit geval. Op dit onderdeel is de klachtafhandeling van de gemeente onzorgvuldig. In de klachtafhandelingsbrief wordt niet ingegaan op de klacht van verzoeker, te weten dat er sprake zou zijn geweest van de in de klacht genoemde opmerkingen. Er wordt in de klachtafhandelingsbrief niet aangegeven of deze opmerkingen wel of niet zijn gemaakt. Pas in een latere van 25 januari 2011, verzonden 01 februari 2011 wordt, naar aanleiding van de brief van Art. 1, verder ingegaan op de klacht over discriminerende opmerkingen die zouden zijn gemaakt. Tot slot merkt de Ombudscommissie op dat de gemachtigde niet is uitgenodigd voor het gesprek, het gevraagde onderzoek wordt in dat stadium niet gedaan en de gevraagde informatie wordt niet aan de gemachtigde toegestuurd. De gemachtigde ontvangt alleen op 25 januari 2011 een afschrift van het antwoord aan klager. Het is onzorgvuldig dat geen gevolg werd gegeven aan het verzoek van de gemachtigde te worden uitgenodigd bij het gesprek. De Ombudscommissie komt dan ook tot het volgende oordeel: I. Respecteren van grondrechten; het discriminatieverbod: geen oordeel. Daarmee is de klacht van verzoeker ongegrond. II. Klachtafhandeling: onzorgvuldig.
Lees hier het rapport