Een verbouwing met een staartje...

Verzoeker klaagt er over dat de verbouwing van zijn huis moeizaam is verlopen. De gemeente communiceert naar de mening van verzoeker niet goed, stuurt hem van het kastje naar de muur en is niet duidelijk in wat er verwacht wordt van verzoeker. Hierdoor is de verbouwing 1,5 jaar vertraagd en heeft het verzoeker buiten een hoop inspanningen ook veel geld gekost. Met betrekking tot de adequate informatieverstrekking geeft de gemeente aan dat de plannen van verzoeker meerdere keren zijn aangepast om een vergunning te kunnen verlenen. Samen met verzoeker is gekeken naar de mogelijkheden. Voor wat betreft de uitbouw van de buurman geeft de gemeente aan dat de uitbouw van de buurman een fout was die ze niet nog een keer wilde maken. De Ombudscommissie concludeert dat echter ook de informatieverstrekking naar verzoeker toe niet soepel is verlopen. De Ombudscommissie wijst hierbij op bijvoorbeeld de uitleg over de uitbouw, de onduidelijkheid bij verzoeker of het in orde was te gaan bouwen na mogelijke telefonische toestemming en de informatie in de klachtafhandelingsbrief, die de Ombudscommissie zeer summier vindt. De Ombudscommissie ziet dit onderbouwd door de hierboven aangegeven opmerking van de heer D. in het gesprek van 10 november 2010. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat de informatieverstrekking naar verzoeker toe onzorgvuldig is geweest. Voor wat betreft het opgewekt vertrouwen overweegt de Ombudscommissie dat de Ombudscommissie niet kan nagaan of aan de telefoon tegen verzoeker is gezegd dat hij kon gaan bouwen. Hierover kan de Ombudscommissie dan ook geen oordeel uitspreken. Voor wat betreft het niet handhaven bij andere bouwwerken in de buurt verwijst de Ombudcommissie naar het hierboven aangehaalde gespreksverslag van 10 november 2010 waarin de heer D. aangeeft dat er inderdaad bepaalde dingen in de wijk zijn toegestaan die verder gaan dan welke aan verzoeker zijn vergund. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat verzoeker terecht de verwachting had dat hij dezelfde dingen mocht bouwen als die bij de buren worden toegestaan. Mede door een onvolledige informatieverstrekking, bijvoorbeeld omtrent de uitbouw, ontstond bij verzoeker de verwachting dat ook hij de benodigde vergunningen zou krijgen. Tot slot is de Ombudscommissie van oordeel dat verzoeker na de gemaakte afspraken tijdens het gesprek van 15 september 2010 er vanuit mocht gaan dat inzake de erfafscheiding geen ambtenaar meer aan de deur zou komen. Over het gevoel van verzoeker dat hij niet gelijk is behandeld overweegt de Ombudscommissie dat niet na gegaan kan worden of inderdaad de focus op verzoeker ligt. Wel kan de Ombudscommissie concluderen dat, gelet op het eerder al aangehaalde gespreksverslag van 10 november 2010 en de daarin gemaakte opmerking door de heer D. dat er inderdaad bepaalde dingen in de wijk zijn toegestaan die verder gaan dan welke aan verzoeker zijn vergund, het begrijpelijk is dat verzoeker een gevoel van ongelijke behandeling heeft. Met betrekking tot de uitbouw die verzoeker had gekopieerd concludeert de Ombudscommissie dat als de informatieverstrekking daarover, de uitleg waarom de gemeente deze uitbouw niet nog een keer wilde vergunnen, direct was gegeven, het gevoel van ongelijke behandeling wellicht minder of niet had bestaan. Tot slot concludeert de Ombudscommissie met betrekking tot de klachtafhandeling dat de norm voortvarendheid geschonden is omdat de klachtafhandeling te lang heeft geduurd. De Ombudscommissie is ook van oordeel dat er ten onrechte, buiten de norm uitvoeringspraktijk, geen ombudsnormen, waaraan wordt getoetst, in de klachtafhandelingsbrief worden genoemd.Tot slot is de Ombudscommissie van oordeel dat de klachtafhandelingsbrief zeer summier is gemotiveerd. De Ombudscommissie komt dan ook tot het volgende oordeel: I. Adequate informatieverstrekking: onzorgvuldig; II. Opgewekt vertrouwen: onzorgvuldig; III. Gelijke behandeling: onzorgvuldig. Daarmee is de klacht van verzoeker gegrond. IV. Klachtafhandeling: onzorgvuldig.

Lees hier het rapport