Motivering bij afwijzing kwijtschelding niet behoorlijk

In deze zaak ging het om de afwijzing ? ook in beroep - van een verzoek om kwijtschelding. Bij een kwijtscheldingsbesluit is er geen sprake van administratief beroep in de zin van de Awb, omdat de weg naar de rechter door de Invorderingswet bij onder andere kwijtschelding wordt uitgesloten. Tegen de uitspraak van het college van burgemeester en wethouders op het beroep staat dus verder geen beroepsmogelijkheid open bij de bestuursrechter. Daarom is er tussen de Nationale ombudsman en de VNG de afspraak gemaakt dat belanghebbenden zich kunnen wenden tot een externe klachtvoorziening in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij een gemeente zich heeft aangesloten. De motivering van de gemeente voor de afwijzing van het verzoek komt erop neer dat het inkomen van verzoekers te hoog is om in aanmerking te komen voor kwijtschelding. Verzoekers vroegen om uitleg. De gemeente deelde mee dat bij studiefinanciering, ongeacht de hoogte van de lening, wordt uitgegaan van een forfaitair bedrag van ? 572 per persoon. Volgens verzoekers was het forfaitaire bedrag als inkomen voor de studiefinanciering niet op hun van toepassing. Verzoekers waren van mening dat de lening van de IBG en de aanvullende studiefinanciering van de ouders niet mag worden meegeteld als inkomen. De Ombudscommissie vroeg de gemeente om een specificatie van de berekening van het inkomen van verzoekers op grond waarvan geen kwijtschelding kan worden verleend. De Ombudscommissie overwoog vervolgens dat de richtlijnen voor het verlenen van kwijtschelding van belastingen voor gemeenten dezelfde zijn als voor de Rijksbelastingen en door het Rijk worden vastgesteld. De gemeenten mogen dus geen eigen voorwaarden of normen hanteren. Deze richtlijnen zijn zeer strak en in de Invorderingswet 1990, de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Leidraad Invorderingswet 1990 vastgelegd. Het is daarom niet mogelijk om bij de beoordeling bijzondere persoonlijke omstandigheden te betrekken die niet zijn opgenomen in de bestaande regelgeving. Ook de Ombudscommissie is gehouden aan deze regelgeving en kan slechts beoordelen of de gemeente binnen deze richtlijnen een zorgvuldige afweging heeft gemaakt. Op grond van de door de gemeente overgelegde berekening concludeerde de Ombudscommissie dat de gemeente in het licht van genoemde regelgeving het verzoek om kwijtschelding zorgvuldig had gewogen. De Ombudscommissie vond wel dat het besluit om het verzoek om kwijtschelding af te wijzen in eerste instantie niet deugdelijk was gemotiveerd. Daarom was de onderzochte gedraging van de gemeente ten aanzien van het motiveringsvereiste niet behoorlijk. Op dit punt was de klacht gegrond.
Lees hier het rapport