Wonen in een pand waar niet de bestemming "wonen" op rust; ontheffing van de bepalingen van het bestemmingsplan kost te veel geld?

Verzoeker koopt in 2005 een perceel met drie gebouwen: een woonhuis (rijksmonument), een schuur en een pand waarin zich een sauna/yogaruimte bevindt. Voor de sauna/yogaruimte is op een bouwvergunning verleend. Verzoeker is, afgaande op de mededelingen van makelaar en notaris, in de veronderstelling dat het gaat om twee gebouwen met een woonbestemming en één bedrijfsgebouw. Dit wordt tevens ingegeven door de nummering 19 en 21. In juni 2008 wil de zwager van verzoeker zich laten inschrijven op nummer 21 (de sauna/yogaruimte). Dit is aanleiding tot nader onderzoek door de afdeling Bouw- en Woningtoezicht. Er blijkt geen woonbestemming te zijn op dit pand; wel is de gemeente na onderzoek bereid mee te werken aan aanpassen van het bestemmingsplan. De procedure hiervoor duurt lang. Verzoeker klaagt over: het in rekening brengen van onredelijke kosten; het onvoldoende informeren over de te volgen procedure bij aanpassing van het bestemmingsplan om bewoning te legaliseren. Bestemmingsplan. Allereerst stelt de Oo vast dat verzoeker toen hij het perceel kocht niet bij de gemeente Haaksbergen heeft geïnformeerd naar de woonmogelijkheden. Verder constateert de Oo dat verzoeker niet heeft gereageerd ten tijde van de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. De Oo vindt het hierbij van belang dat de gemeente schriftelijk uitdrukkelijk verzoekt contact op te nemen vanwege het sluiten van de termijn voor reacties op het voorontwerp bestemmingsplan. Een tweede gelegenheid was er nog bij het ter inzage liggen van het uiteindelijke ontwerp bestemmingsplan in 2009. Ook daar heeft verzoeker zich niet gemeld. Een reactie op het (voor)ontwerpbestemmingsplan zou voor verzoeker de gemakkelijkste weg geweest zijn om in ieder geval van de gemeente een beoordeling te krijgen over de door hem gewenste woonbestemming. Een kort briefje met een dergelijke wens was voldoende geweest om meegenomen te worden in de planherziening. De Oo acht het niet terecht als de gemeente nu min of meer suggereert dat verzoeker de huidige problemen had kunnen voorkomen door toen te reageren. Er kan achteraf alleen worden gezegd dat er een beoordeling en een standpunt van de gemeente zou zijn geweest, maar niet hoe dat er uit gezien zou hebben. Handhavend optreden. Als er in strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan in een pand gewoond wordt, is de gemeente verplicht handhavend op te treden. Of er strijdigheid aanwezig is dient de gemeente eerst vast te stelen. Dat is gebeurd via het bezoek van de ambtenaar Bouw- en Woningtoezicht. Er is vervolgens een plicht tot handhaving. Daar doet niet aan af of er meer huisnummers zijn of dat het pand wellicht in het verleden wel bewoond is geweest. Wel geldt dat van handhaving kan worden afgezien als het mogelijk is de illegale situatie te legaliseren. Uiteindelijk heeft de gemeente het standpunt ingenomen onder bepaalde voorwaarden mee te willen werken aan legaliseren door alsnog een tweede woonbestemming toe te kennen. Er kan gesteld worden dat dit wel behoorlijke tijd heeft geduurd als in aanmerking wordt genomen dat de situatie in ieder geval in juni 2008 bekend was, er in april 2010 een erfbezoek plaatsvindt en op 10 juni 2010 wordt aangegeven dat er een principeverzoek tot herzien van het bestemmingsplan kan worden ingediend. Dit acht de Oo niet voortvarend. Kosten van de planherziening. De kosten voor een herziening van het bestemmingsplan leiden bij verzoeker tot aarzeling om voortvarend een principe-aanvraag in te dienen. De gemeente is over de kosten pas echt helder bij de klachtafhandeling. Het bedrag dat er dan ligt staat niet ter beoordeling staat van de Oo. Legesverordeningen worden vastgesteld door de gemeenteraad; daar mag de Oo niet in treden. De overige kosten voor onderzoek en advies door deskundige bureaus staan ter beoordeling van verzoeker. Wel valt op dat de gemeente degene is die verzoeker wijst op een aantal bureaus die kunnen worden benaderd. Hoewel dit aan de ene kant als klantvriendelijk gezien kan worden, ontstaat hier toch de indruk dat de gemeente juist met deze bureaus wil werken. Beter zou het zijn als in het algemeen wordt uitgelegd hoe een burger een goed bureau kan vinden zonder daar direct al namen bij te noemen. Verder acht de Oo acht het niet onredelijk dat verzoeker op punten als milieuregels en verkeersgeluid eerst een beeld wil krijgen voordat hij aan grote kosten begint. Als immers op voorhand duidelijk is dat milieubeleid en verkeersgeluid de wijziging van het bestemmingsplan onmogelijk maken, is het weinig zinvol een principe-aanvraag in te dienen. Volgens de Oo heeft de gemeente hier qua informatievoorziening aan verzoeker niet adequaat gehandeld. Oordeel: wat betreft adequate en voortvarende informatieverstrekking komt de Oo gezien het bovenstaande tot het oordeel dat er niet steeds zorgvuldig is gehandeld.

Lees hier het rapport