Bloemenstandplaats

Verzoekers klagen erover dat de gemeente geen fair play heeft toegepast bij de vergunningverlening voor een standplaats in het winkelcentrum Stadshagen, nu zij de vergunning niet hebben gekregen omdat zij niet als eerste aanvrager zijn aangemerkt. Ook klagen verzoekers erover dat de gemeente bij de huidige standplaats op het plein Achter de Broeren niets doet aan de geluidsoverlast en niet reageert op klachten hierover. Met betrekking tot de andere standplaats op het Petuniaplein vinden verzoekers dat de gemeente de afspraken om te komen meten niet na is gekomen en onvoldoende inspanningen verricht om te zorgen dat de standplaats daar naar tevredenheid kan worden ingenomen. In algemene zin klagen verzoekers erover dat de gemeente onvoldoende moeite doet voor het vinden van een andere standplaats. Met betrekking tot de klachtafhandeling geven verzoekers aan dat ze geen gesprek hebben gehad over de klacht. Met betrekking tot de aanvraag om een standplaats in winkelcentrum Stadshagen maakt de Ombudscommissie uit de stukken en de toelichting op dat het gehele traject vanaf 1998 tot nu moeizaam is verlopen qua communicatie. De Ombudscommissie vraagt zich dan ook af of de communicatie beter zou zijn verlopen als op een bepaald moment de keuze was gemaakt voor (een) gesprek(ken) tussen de gemeente en verzoekers. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat de gemeente zich hier hulpvaardiger had kunnen opstellen naar verzoekers toe. Hierbij merkt de Ombudscommmissie op dat uit het handelen van de gemeente wel blijkt dat ze zich nu hulpvaardiger naar verzoeker opstellen. Voor wat betreft de geluidsoverlast op het plein Achter de Broeren concludeert de commissie dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen. Verzoekers geven aan dat de gemeente onvoldoende actie onderneemt terwijl de gemeente aangeeft hier wel adequaat te handelen, er is gemeten en de geluidsbelasting is binnen de vergunning, zo geeft de gemeente aan. Nu er sprake is van tegenstrijdige verklaringen van verzoeker en de gemeente met betrekking tot het al dan niet adequaat handelen is het voor de Ombudscommissie niet mogelijk op dit punt een oordeel uit te spreken. De Ombudscommissie is echter wel van mening dat het niet opnemen van de telefoon door de gemeente tijdens de markturen, niet correct is. Dat de marktmeester eenmaal per 3 weken dienst heeft en op de dagen dat hij geen dienst heeft de telefoon niet opneemt is voor wat hem betreft niet onjuist, maar kan de gemeente wel worden aangerekend. De gemeente dient op die dagen dan een alternatieve voorziening te treffen in die zin dat zij bij problemen op de markt bereikbaar is en handelend kan optreden indien dit gewenst is. Met betrekking tot de standplaats op het Petuniaplein ziet de Ombudscommissie zich ook geplaatst voor tegengestelde verklaringen en kan zich ook hier geen oordeel over vormen. Verzoekers hebben ook geklaagd dat er geen sprake zou zijn van fair play door de gemeente. De Ombudscommissie concludeert op basis van de stukken dat de aanvraag uit augustus 2009 is afgewezen omdat de gemeente de eerste vijf jaar voor dit winkelcentrum, op ??n uitzondering na, geen standplaats zal uitgeven. Het is de Ombudscommissie gebleken dat de heer B. die de vergunning heeft gekregen deze uitzondering is. Het is de Ombudscommissie niet duidelijk waarom voor de heer B. deze uitzondering is gemaakt. In het voornemen tot weigering van de aanvraag van 20 oktober 2010 geeft de gemeente aan dat ze voornemens zijn deze aanvraag te weigeren omdat de aanvragen beoordeeld zijn op volgorde van binnenkomst en verzoekers hierbij niet de eerste aanvrager waren. Hierbij is de Ombudscommissie van oordeel dat het niet getuigt van fair play dat enerzijds wordt gesteld dat er geen wachtlijst wordt gehanteerd en anderzijds toch gewerkt wordt met een soort van wachtlijst nu de heer B. met zijn aanvraag uit januari 2009 de vergunning per 20 oktober 2009 heeft gekregen. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat hier niet behoorlijk is gehandeld, mede gelet op het feit dat verzoeker de eerste aanvraag al deed in 1998. Voor wat betreft de administratieve nauwkeurigheid is de Ombudscommissie van oordeel dat het niet zorgvuldig is dat de gemeente de aanvraag van verzoeker uit 1998 niet meer in haar bezit heeft. Dit temeer nu naar aanleiding van de aanvraag uit 1998 bij schrijven van 23 juli 1998 aan verzoekers is medegedeeld dat ze op een lijst van belangstellenden komen voor winkelcentrum Stadshagen. Dit impliceert naar de mening van de Ombudscommissie dat de gegevens bewaard zullen worden. Tot slot merkt de Ombudscommissie voor wat betreft de klachtafhandeling het volgende op: De Ombudscommissie vindt het niet behoorlijk dat verzoekers niet zijn uitgenodigd voor een gesprek om de klacht toe te lichten nu zij er niet mee hebben ingestemd om alleen telefonisch gehoord te worden. Telefonisch horen wordt immers niet uitgesloten, maar alleen als hiertoe in overleg met klager wordt besloten. In de klachtafhandelingsbrief van 7 december 2010 geeft de gemeente aan onder het kopje ?Klachtonderdeel eerste aanvrager standplaatseninname Stadshagen? dat het juridisch vraagstuk, vanaf wanneer een ingekomen verzoek om een standplaats als eerstinkomende mag worden beoordeeld, niet valt onder ??n van de Ombudstoetsingsnormen welke klachtenco?rdinatoren tot hun beschikking staan. Dit onderdeel van de klacht wordt door de gemeente dan ook als niet-ontvankelijk beschouwd. De Ombudscommissie merkt hierbij op dat de procedure inzake een vergunningverlening voor een standplaats weliswaar een juridische is, maar de hele gang van zaken rondom de vergunningverlening ondermeer getoetst kan worden aan de Ombudstoetsingsnorm fair play, zoals ook in dit oordeel is gedaan. Voorts wordt in de klachtafhandelingsbrief van 7 december 2010 het onderdeel van de klacht dat gaat over de geluidsoverlast op het plein Achter de Broeren ook als niet ontvankelijk beschouwd. De Ombudscommissie onderschrijft hierbij dat een melding van geluidsoverlast valt onder de mileumeldingen en dat hier als zodanig geen Ombudstoetstingsnorm op van toepassing is. Echter de klacht van verzoekers is ook dat de telefoon niet wordt opgenomen als ze bellen met een klacht over geluidsoverlast. Deze gedraging valt wel degelijk onder een Ombudstoetsingsnorm, te weten de norm correcte bejegening, zoals deze ook in dit oordeel is toegepast. Voor wat betreft het klachtonderdeel ?standplaats Petuniaplein? wordt in de klachtafhandelingsbrief van 7 december 2010 niet meegenomen dat verzoekers ook hierbij klagen over het niet beantwoorden van de telefoon als ze bellen met klachten over geparkeerde auto?s en het niet nakomen van afspraken om te meten. De Ombudscommissie komt dan ook tot het volgende oordeel: De gedragingen van de gemeente zijn ten aanzien van de behoorlijkheidnormen: I. Correcte bejegening, deels niet behoorlijk. II. Fair play: niet behoorlijk. III. Administratieve nauwkeurigheid: niet behoorlijk. Daarmee is de klacht van verzoeker gegrond. IV. Klachtafhandeling: niet behoorlijk.
Lees hier het rapport